Jenaplanonderwijs

Geschiedenis en achtergronden van het jenaplanonderwijs

Het Jenaplanconcept is ontwikkeld door de pedagoog Peter Petersen, die tussen 1920 en 1950 verbonden was aan de universiteitsschool van Jena. Het concept wordt voortdurend aangepast aan de (actuele) maatschappelijke en onderwijskundige ontwikkelingen en vormt de basis voor onze ideeën over wat voor school wij willen zijn. De Jenaplangedachte geeft ons opvoedingsvormen en opvoedingsnormen die ons aanspreken en die passen bij wat wij waardevol vinden.

Het Jenaplan is een onderwijsconcept. Dat betekent dat theorie en praktijk erin samenkomen. De theorie achter de Jenaplangedachte is het resultaat van nadenken over vier zaken.

  • In het onderwijs vorm je jonge mensen tot een persoonlijkheid. Wat is dan je gewenste mensbeeld?
  • In het onderwijs vorm je jonge mensen om hen een goede plek te laten vinden in de maatschappij. Hoe is dan je beeld van een gewenste samenleving en maatschappij?
  • In het onderwijs voed je jonge mensen op. Wat zijn dan je opvoedingsdoelen?
  • In het onderwijs geef je onderwijs. Welke doelen, inhouden, middelen en vormen van organisatie gebruik je daar dan bij?

De twintig basisprincipes

De twintig basisprincipes van het Jenaplan doen duidelijke uitspraken over deze vier thema’s en vormen eigenlijk de normen voor het denken en handelen in het Jenaplanonderwijs. Daarmee geven ze een gemeenschappelijke basis van waaruit we willen werken en geven ze een richting aan voor het denken en handelen: we gaan die kant op en proberen het ideaal zo dicht mogelijk te benaderen.

De twintig basisprincipes zijn geordend in vijf uitspraken over het gewenste mensbeeld, vijf uitspraken met wensen over de samenleving thuis, op school en in de maatschappij en tien uitspraken over opvoeding en onderwijs. De uitspraken over de samenleving passen natuurlijk bij het mensbeeld: als je dit allemaal over mensen zegt, dan zou je met elkaar daaraan moeten werken in de samenleving, thuis en op school. De uitspraken over opvoeding en onderwijs zijn daar weer het gevolg van: als je zo tegen mens en samenleving aankijkt, dan moet je in opvoeding en onderwijs ook op die manier handelen.

Mens

  1. Elk mens is uniek; zo is er maar één. Daarom heeft ieder kind en elke volwassene een onvervangbare waarde.
  2. Elke mens heeft het recht een eigen identiteit te ontwikkelen. Deze wordt zoveel mogelijk gekenmerkt door zelfstandigheid, kritisch bewustzijn, creativiteit en gerichtheid op sociale rechtvaardigheid. Daarbij mogen ras, nationaliteit, geslacht, seksuele gerichtheid, sociaal milieu, religie, levensbeschouwing of handicap geen verschil uitmaken.
  3. Elk mens heeft voor het ontwikkelen van een eigen identiteit persoonlijke relaties nodig: met andere mensen, met de zintuiglijk waarneembare werkelijkheid van natuur en cultuur, en met de niet zintuiglijk waarneembare werkelijkheid.
  4. Elk mens wordt steeds als totale persoon erkend en waar mogelijk ook zo benaderd en aangesproken.
  5. Elk mens wordt als cultuurdrager en vernieuwer erkend, en waar mogelijk ook zo benaderd en aangesproken.

Samenleving

  1. Mensen moeten werken aan een samenleving die ieders unieke en onvervangbare waarde respecteert.
  2. Mensen moeten werken aan een samenleving die ruimte en stimulans biedt voor ieders identiteitsontwikkeling.
  3. Mensen moeten werken aan een samenleving waarin rechtvaardig, vreedzaam en constructief met verschillen en veranderingen wordt omgegaan.
  4. Mensen moeten werken aan een samenleving die respectvol en zorgvuldig de aarde en wereldruimte beheert.
  5. Mensen moeten werken aan een samenleving die de natuurlijke en culturele hulpbronnen in verantwoordelijkheid voor toekomstige generaties gebruikt.

School

  1. De school is een relatief autonome, coöperatieve organisatie van betrokkenen. Ze wordt door de maatschappij beïnvloed en heeft er zelf ook invloed op.
  2. In de school hebben de volwassenen de taak voorgaande uitspraken over mens en samenleving tot (ped)agogisch uitgangspunt voor hun handelen te maken.
  3. In de school wordt de leerstof zowel ontleend aan de leef- en belevingswereld van de kinderen als aan de cultuurgoederen die in de maatschappij als belangrijke middelen worden beschouwd voor de hier geschetste ontwikkeling van persoon en samenleving.
  4. In de school wordt het onderwijs uitgevoerd in pedagogische situaties en met pedagogische middelen.
  5. In de school wordt het onderwijs vormgegeven door een ritmische afwisseling van de basisactiviteiten gesprek, spel, werk en viering.
  6. In de school vindt overwegend heterogene groepering van kinderen plaats, naar leeftijd en ontwikkelingsniveau, om het leren van en zorgen voor elkaar te stimuleren.
  7. In de school worden zelfstandig spelen en leren afgewisseld en aangevuld door gestuurd en begeleid leren. Dit laatste is expliciet gericht op niveauverhoging. In dit alles speelt het initiatief van de kinderen een belangrijke rol. 
  8. In de school neemt wereldoriëntatie een centrale plaats in met als basis ervaren, ontdekken en onderzoeken.
  9. In de school vindt gedrags- en prestatiebeoordeling van een kind zoveel mogelijk plaats vanuit de eigen ontwikkelingsgeschiedenis van dat kind en in samenspraak met het kind.
  10. In de school worden verandering en verbeteringen gezien als een nooit eindigend proces. Dit proces wordt gestuurd door een consequente wisselwerking tussen doen en denken.

We willen de basisprincipes vormgeven door uit te gaan van zes kwaliteitskenmerken, die worden beschreven in Jenaplanonderwijs op weg naar de 21e eeuw, geschreven door Kees Both (1997). Volgens deze kwaliteitskenmerken is een Jenaplanschool:

  • ervaringsgericht
  • ontwikkelingsgericht
  • coöperatief
  • wereldoriënterend
  • kritisch
  • zinzoekend

Een Jenaplanschool is ervaringsgericht

De sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen neemt in onze school een belangrijke plaats in. Dit doel is op zichzelf belangrijk voor de persoonlijkheidsvorming en als basis voor de cognitieve ontwikkeling. Het is de grondslag voor het welbevinden van waaruit betrokkenheid kan ontstaan bij de omgeving. Belangrijke middelen hierbij zijn:

  • het mogen kiezen van activiteiten
  • het blokuur
  • de inrichting van de school
  • verrijking van het milieu ‒ er moet immers iets te kiezen zijn, je moet ook uitgedaagd worden
  • de ervaringsgerichte dialoog door groepsleiders met kinderen, waarbij het gaat om zorgvuldige aansluiting bij de gevoelens van het kind

Een Jenaplanschool is ontwikkelingsgericht

Kinderen moeten uitgedaagd worden tot het ontwikkelen van competenties over een breed gebied, tot het verleggen van hun grenzen. Het ontwikkelingsgericht onderwijs reikt hiervoor begrippen en werkwijzen aan. Daartoe behoren strategisch handelen (leren hoe te leren), activiteiten die ontwikkeling stimuleren, een doordachte leerstofkeuze en het inrichten van situaties waarin kinderen hun zone van naast-nabije ontwikkeling kunnen ervaren.

In basisprincipe 13 wordt gesproken over leerstofkeuze die, behalve aan de leef- en belevingswereld van kinderen, ontleend wordt aan de ‘cultuurgoederen’ die in de maatschappij als belangrijke middelen worden beschouwd. In basisprincipe 17 wordt gesproken over een doordachte combinatie van enerzijds zelfstandig spelen en leren en anderzijds gestuurd en begeleid leren. Dit laatste is expliciet gericht op niveauverhoging. In beide soorten onderwijsleeractiviteiten speelt het initiatief van de kinderen een belangrijke rol.

Een Jenaplanschool is coöperatief (een leef- en werkgemeenschap)

Samenwerken, helpen, zorg dragen voor elkaar, samen spreken, samen spelen, samen beslissen, samen vieren; dat alles maakt de school een leef- en werkgemeenschap waarin ook de ouders als volwaardige partners zijn opgenomen. Leren is sociaal leren, samen problemen oplossen, tutorschap, mentorschap, samen evalueren en in diverse vormen communiceren.

In basisprincipe 14 wordt de naar leeftijd en ontwikkelingsniveau heterogene groepering (stamgroep) gemotiveerd. Samenwerken en helpen nemen een belangrijke plaats in. Voor de totale ontwikkeling van kinderen blijkt coöperatie heel belangrijk te zijn en competitie van ondergeschikt belang. In samenwerkings- en werkrelaties worden kinderen uitgedaagd het beste van zichzelf te geven en verder te ontwikkelen: leren door samenwerken. Dit kan betekenen:

  • dat het helpen verder wordt ontwikkeld
  • het aangaan van stimulerende gesprekken bij wereldoriëntatie
  • dat de stamgroep wordt ingeschakeld bij het formuleren van vragen en andere opdrachten waarmee een groepje aan de slag gaat 
  • dat de stamgroep tevens wordt ingeschakeld bij feedback-, verslag- en evaluatiekringen
  • dat teksten en kunstzinnige producten worden besproken
  • dat neerslagen van onderzoekjes ook een bron vormen voor toekomstige schoolgeneraties (via het documentatiecentrum en op internetsites, bijvoorbeeld de digitale werkstukkenkast: www.dwk.nl) 
  • dat er veel aandacht wordt gegeven aan het openbaar maken (communiceren) van wat ontdekt en gemaakt is door middel van presentaties, uitstallingen, projectboeken, muurkranten enzovoort.

Het coöperatieve karakter van onze school slaat ook op de relaties binnen het team en tussen team en ouders. Zonder intensieve inhoudelijke samenwerking is Jenaplanonderwijs niet mogelijk (basisprincipes 11 en 12).

Een Jenaplanschool is een wereldoriënterende school

Wereldoriëntatie is het hart van het onderwijs. Hierin worden de andere inhoudelijke gebieden toegepast. Kenmerkend zijn het ervaren, ontdekken en onderzoeken, naast het luisteren naar en het werken en spelen met verhalen. De inhouden worden beschreven in zeven ervaringsgebieden.

De voorgaande kwaliteitscriteria richten de aandacht vooral op de lerende persoon. Hier wordt de blik naar buiten gericht, op de wereld. Wereldoriëntatie is allereerst het belangrijkste doel van het onderwijs: kinderen helpen de wereld te leren kennen in al zijn facetten, zich daarin thuis te voelen en zich daar een mening over te vormen. Andere leerstofgebieden zijn daaraan dienstbaar.

Wereldoriëntatie is ook een (inhoudelijk) vormingsgebied dat die inhouden omvat die het meest met wereldoriëntatie als doel te maken hebben. Deze inhouden worden beschreven in zeven ervaringsgebieden:

  • het jaar rond
  • omgeving en landschap
  • maken en gebruiken
  • techniek
  • communicatie
  • samen leven
  • mijn leven

Een Jenaplanschool is kritisch (over ontwikkelingen in samenleving en cultuur)

Jenaplanonderwijs is gericht op het werken aan een humane en ecologisch duurzame samenleving. Dat betekent ook de ontwikkeling van een kritisch-constructieve instelling ten aanzien van ontwikkelingen in samenleving en cultuur, te beginnen in eigen huis: de school zelf.
Jenaplanscholen zullen daarom altijd iets ‘dwars’ houden, kritische vragen stellen bij ontwikkelingen. We leren ook de kinderen kritisch te denken. Dit betekent soms ook, tegen alle eenzijdige nadruk op ‘nuttigheid’ en tegen de loodzware ernst en ellende in de wereld in: spelen en het leven vieren!

In basisprincipe 5 wordt aangegeven dat mensenkinderen als cultuurdrager en –vernieuwer worden gezien en waar mogelijk ook zo worden aangesproken. Daarom is er aandacht voor diverse cultuuruitingen, ook die met een experimenteel karakter: kunst, samenlevingsvormen, techniek, levensbeschouwing enzovoort. 

Basisprincipe 6 t/m 10 geven aan welke criteria een humane en ecologisch duurzame samenleving zou moeten voldoen, niet hoe deze er uit zou moeten zien. Wel worden waarden beschreven waaraan maatschappelijke ontwikkelingen getoetst moeten worden.

De genoemde waarden maken mensen gevoelig voor (relatief) goede en foute ontwikkelingen, mooi en lelijk, waar en niet waar. Er wordt kritisch constructief omgegaan met verschillen in de school; deze kunnen zich ontwikkelen tot tegenstellingen, die zich weer kunnen ontwikkelen tot conflicten. Deze worden niet ontkend, maar vormen een mogelijkheid tot leren.

De vier basisactiviteiten gesprek, spel, werk en viering drukken uit dat je niet alleen leeft om te werken, maar dat er meer waardevolle wijzen van mens-zijn bestaan. Dit alles is ook van toepassing op de verhoudingen binnen het team (basisprincipe 12) en op de relatie met de ouders.

Jenaplanonderwijs is zin-zoekend onderwijs

Elke Jenaplanschool geeft gericht aandacht aan levensbeschouwelijke vragen. Dit kan meer passief zijn, in de vorm van luisteren naar verhalen, gedichten en muziek, kijken naar dans, ervaren van symbolen en rituelen, en stilte, meditatie, bezinning op wat je raakt en inspireert. Het kan ook actiever zijn: je inzetten voor datgene waarbij je je betrokken voelt en waarmee je je wilt verbinden, mensen, planten, dieren, dingen. Het kan ook zijn: samen nadenken over zinvragen. Dit heeft alles te maken met de eigen levensverhalen van de kinderen en volwassenen in de school.

In school kunnen kinderen zin ervaren in verhalen en gesprekken, in aandacht en zorg voor elkaar. In de ervaring van schoonheid bij kunstzinnige vorming en wereldoriëntatie, in het zelf wezenlijke keuzes kunnen maken. Het gaat in dit alles om religieuze en niet-religieuze zinervaring.

Dit kwaliteitskenmerk heeft een samenbindende en verdiepende functie ten aanzien van het totaal van Jenaplanonderwijs.

De Nederlandse Jenaplan Vereniging

De Petteflet is aangesloten bij de NJPV, de Nederlandse Jenaplan Vereniging. Discussies en informatie over actuele zaken in het Jenaplanonderwijs zijn te vinden in het tijdschrift Mensenkinderen, waarop ouders een abonnement kunnen nemen. De school heeft dit tijdschrift uiteraard ook. De NJPV heeft een eigen website: www.njpv.nl.

Opvoeden is belangrijk

Een Jenaplanschool is een gemeenschap van kinderen, stamgroepleidsters en ouders/verzorgers. Stamgroepleidsters en ouders zijn samen de opvoeders van de kinderen. Het onderwijs in de school is gericht op de opvoeding van de kinderen en is daarom veel meer dan het leren van vaardigheden zoals lezen, schrijven, taal, rekenen en feitenkennis over aardrijkskunde en geschiedenis. Op een Jenaplanschool wordt ook expliciet aandacht besteed aan normen en waarden, verantwoordelijkheid dragen, (samen)werken en spelen. 

Ieder mens is uniek

Het belangrijkste basisprincipe van het Jenaplan is: ieder mens (ieder kind) is uniek. We vinden dat kinderen moeten leren omgaan met het gegeven ‘dat iedereen verschillend is’. Daarom zitten kinderen op een Jenaplanschool in een stamgroep. In een stamgroep zitten kinderen van verschillende leeftijden bij elkaar in de klas.

Leren is belangrijk

Als opvoeders willen we dat onze kinderen verantwoordelijke, zelfredzame, mondige, sociale, creatieve volwassenen worden. Om dat doel te bereiken zullen kinderen niet alleen sociaal-emotioneel moeten worden gevormd. Ze moeten ook goed kunnen lezen, rekenen, schrijven, zich mondeling en schriftelijk goed kunnen uitdrukken, en informatie kunnen opzoeken en verwerken. Op een Jenaplanschool worden al deze vaardigheden als serieuze leerdoelen beschouwd. Er is een duidelijke gerichtheid op kwalitatieve prestaties. Ieder levert het beste van wat hij/zij kan.

Het kind krijgt taken die uitdagend zijn en die het aankan, die het voldoende vrijheid laten voor een eigen invulling, maar die tegelijkertijd geen ruimte laten voor ‘vrijblijvend’ meedoen.

WELKOM! DEZE WEBSITE MAAKT GEBRUIK VAN COOKIES


Op onze website maken we gebruik van functionele - en analytische cookies om de website optimaal te laten functioneren en waar mogelijk te verbeteren. Deze cookies verzamelen geen persoonsgegevens.
Veel leesplezier!

Akkoord met de cookies